Max Stirner in Den Gulden Winckel


1845-1945, Book, Historical Work, Max Stirner, Trevor Blake / Wednesday, October 28th, 2020

 

A review of two works by Max Stirner in translation by Jaak Lansen. This review  by Gustaff Vermeersch appeared in Den gulden winckel (February 15, 1908, page 27-28) and is (roughly) translated into English for the first time.

GODSDIENST, WIJSBEGEERTE

MAX STIRNER. – Het Kersouwken van Ant- M werpen geeft tans Stirner’s werk uit in het Nederlands. Eerst verscheen zijn hoofdwerk: “De Eenige en z’n Eigendom”. Hier hebben we één van zijn kleinere werken: “Het Leugenachtig Princiep onzer opvoeding of ‘t Humanisme en Realisme”. – De vertalingen zijn van Jaak Lansen.

Het was een mooi denkbeeld èn van uitgever èn van vertaler de werken van deze vergeten denker het Nederlands publiek aan te bieden. Stirner is één van dié die men móet lezen, hij zal in faam en in aanhangers winnen naarmate hij meer gelezen en beter begrepen wordt.

Stirner was meer krietiekus dan opbouwer van niewe stelsels. Om een stelsel uit zijn werk te halen, behoort er gezocht te worden, vandaar dat hij weinig begrepen wordt. Hij is, zegt men, de apostel van het puurste egoïsme, dit schijnt zo inderdaad, ik hoop eens het tegendeel te bewijzen. Stirner’s krietiese zin schat ik vooral hoog, hij opent als het ware een hele wereld. En de mensheid zal toch eenmaal die kant opgaan, zoals de enkelingen hem opgingen aan wie we onze grote godsdiensten te danken hebben. Wie zou de verwantschap tussen Stirner en het okkultisme kunnen lochenen ? Doch ons denken, ons inzicht in de dingen, ons levensdoel is zó vervalst en omsluierd door daarbij belanghebbenden, dat we ervan terugschrikken als de zuivere waarheid zich aan ons openbaart.

Dit Leugenachtig Princiep, enz. dat hier voor me ligt, is slechts een brosjuurtje, doch zijn enkele bladzijden geven veel te denken en leiden zeer ver. Dit boekje is als het ware een opklaring van Stirner’s grote werk, het is meer opbouwend, wijst dus duideliker waar Stirner heen wilde, het doel is ons zeer helder en het is zeer juist. Dit werkje werd geschreven als krietiek op een werk van Theodoor Heinsius: Konkordaat tussen school en leven of bemiddeling tussen Humanismus en Realismus, uit nationaal oogpunt beschouwd, Berlijn, 1842 (bl. 4). Schrijver volgt Heinsius in z’n korte schets van ‘t histories verloop. Hij noemt de periode tussen Reformatie en Revolutie die der verhouding tussen mondigen en onmondigen (mondigen = de beschaafden, onmondigen = de leken). Voör de revolusie, zegt hij, was de beschaving gegrift op de klassieken in den bijbel. Het was de tijd van de leerlingen: “We hadden vorm en inhoud (van schoonheid en waarheid) nog eerst te leren kennen”. – “Het eigen leven bood niets waardigs aan”.

Tegen deze geest van vormelikheid kwam verzet. Er was geen in ‘t leven grijpend onderricht en voortaan moest alles weten te leven, ‘t weten geleefd worden, want eerst de realiteit van ‘t weten is ‘n volmaking. Kwam men zover, dan had de een aan de ander niets meer te benijden, bestonden geen geleerde heren meer noch onwetende leken. – Daarom kwam ‘t realisme: “de bekwaamheid over alles te kunnen meepraten, ernstiger gesproken, de bekwaamheid alle stof meester te worden”.

“Intussen ‘t verleden te begrijpen, zoals ‘t Humanisme leert en ‘t tegenwoordige te vatten, zoals ‘t Realisme doet, leidt beiden slechts tot macht over ‘t tijdelike. Ewig is alleen de Geest, die zich zelf begrijpt. Daarom kregen gelijkheid en vrijheid slechts ‘n ondergeschikt bestaan. Men kon wel aan anderen gelijk, en van hun autoriteit geëmancipeerd worden; van de gelijkheid met zichzelf, van de vereffening en verzoening van onze tijdelike en ewige mens, van de verheerliking onzer natuurlikheid tot geestelikheid, kortom van de eenheid en de almacht van ons ik, dat genoeg aan zichzelf heeft, wijl ‘t buiten zich niets vreemds staan laat; – daarvan liet zich in genoemd prinsiep nauweliks ‘n voorgevoel kennen. Alleen verscheen de Vrijheid wel als onafhankelikheid van autoriteiten, doch was nog leeg aan zelf-bestemming. . . .”

Deze aanhaling geeft, beknopt, enigszins de gedachten weer van Stirner over de opvoeding. “‘t Weten moet sterven om in de dood weer te ontluiken als wil”. “Niet de wil is van huis uit ‘t rechte gelijk ons de praktiesen gaarne wensten te verzekeren, niet over ‘t weten-willen heenspringen mag men, om dadelik bij de wil te zijn, maar ‘t weten voleindigt zichzelf tot willen, als ‘t zich ontzinnelikt en als geest “die zich ‘n lichaam bouwt” zichzelf schept. Daarom kleven aan elke opvoeding, die niet op deze dood en deze hemelvaart van ‘t weten uitloopt, de gebreken der tijdelikheid, de formaliteit en materialiteit, het Dandysme en Industrialisme, ‘n weten dat zich niet derwijze loutert en concentreert, dat het in willen overgaat”. “Alleen in de abstraksie bestaat de vrijheid: de vrije mens slechts hij, die ‘t gegevene overwonnen en zelf het uit hem vragenderwijze uitgelokte weer in de eenheid van z’n ik saamgetrokken heeft”.

Waar wil Stirner heen? “In plaats van een levend mens een scheppende opvoeden”. Nog in lang zal zijn droom niet verwezenlikt zijn want daartoe moet heel de samenleving omgekeerd. Intussen wordt de lezing van dit werkje aanbevolen en vooral het bestuderen ervan.

GUSTAAF VERMEERSCH.


RELIGION, WISDOM

MAX STIRNER. – Het Kersouwken van Ant-M Werpen has published Max Stirner’s work in Dutch. First, his main work appeared: The One and His Property. Here we have one of his smaller works: The False Principle of Our Education or Humanism and Realism. – The translations are by Jaak Lansen.

It was a good idea for both publisher and translator to offer the works of this forgotten thinker to the Dutch public. Stirner is one of those that must be read, he will gain in fame and followers the more he is read and better understood.

Stirner was more of a romantic than a builder of new systems. To get a system out of work, it must be sought, which is why it is little understood. He is said to be the apostle of the purest egoism; this seems so indeed, and I hope one day to prove otherwise. I particularly value Stirner’s cry; he opens up a whole world, as it were. And mankind will one day move in that direction, as the few to whom we owe our great religions. Who could deny the relationship between Stirner and occultism? But our thinking, our insight into things, our purpose in life is so falsified and veiled by interested parties that we shy away from it when the pure truth reveals itself to us.

The False Principle, etc., which is lying here before me, is only a brochure, but its few pages give a lot to think about and lead very far. This booklet is, as it were, a clarification of Stirner’s great work, it is more constructive, so it points more clearly where Stirner wanted to go, the goal is very clear to us and it is very correct. This little work was written as a critique on a work by Theodoor Heinsius: Concord between school and life or mediation between Humanism and Realism, from a national point of view, Berlin, 1842 (p. 4). Schrijver follows Heinsius in his brief outline of the course of history. He calls the period between Reformation and Revolution that of the relationship between the mature and the underaged (the mature = the civilized, the underaged = the laity). Before the revolusion, he says, civilization was inscribed on the biblical classics. It was the time of the pupils: “We had to get to know form and content (of beauty and truth) first.” – “Our own life offered nothing worthy”.

This spirit of formalism was resisted. There was no instruction that pertaining to life, and from then on everything had to be known to live, to know to be lived, because only the reality of knowing is a perfection. When they got that far, one had nothing to envy the other, there were no learned gentlemen or ignorant laymen. That is why realism came: “the ability to have a say in everything, more seriously, the ability to master all matter.”

“In the meantime, to understand the past, as Humanism teaches, and to grasp the present, as Realism does, both only lead to power over the temporal. Ego is only Spirit, who understands itself. Therefore, equality was given. and freedom only a subordinate existence. One could well be equal to others, and emancipated from their authority; from the equality with oneself, from the equalization and reconciliation of our temporary and present man, from the glorification of our naturalness to spiritualism, in short of the unity and omnipotence of our ego, which has enough of itself, because it leaves nothing strange outside of it; – hardly any foreboding was made of this in said princess. Only Freedom did appear as independence from authorities, but was still empty to self-destiny… ”

This quotation gives, briefly, somewhat of Stirner’s thoughts on education. “Knowing must die in order to emerge again in death as will”. “Not the will is by nature the right thing to do, as the practice and practice would like to assure us, not wanting to jump over knowing – one may, to date. to be with the will, but knowing completes itself to will, when it becomes unconscious, and creates itself as a spirit “that builds itself a body.” That is why every education does not cling to this death and this ascension of “knowledge runs out, the defects of temporality, formality and materiality, Dandysm and Industrialism, a knowledge that does not purify and concentrate in such a way that it passes into will.” “Only in abstraction does freedom exist: free man only exists he who has conquered what has been given and has himself pulled together what was provoked by him questioningly into the unity of his self”.

Where does Stirner want to go? “Raising a creative person instead of a living person.” His dream will not be realized for a long time, because for this the whole society must be turned around. In the meantime, reading this work and especially studying it is recommended.

GUSTAAF VERMEERSCH.